Nieuws

Organiseer niet de Innere Schweinehund en help commentatoren niet in het zadel

In 1992, direct na mijn studie aan de VU, heb ik nog een tijdje gestudeerd aan het Institut fűr Sportwissenschaft in Tübingen, destijds bij professor Ommo Grupe. Een uitermate aimabele man, die ik enkele maanden heb meegemaakt en mij wel wilde begeleiden bij mijn onderzoek. Ik weet nog goed dat ik mijn plannen uiteenzette en aangaf dat ik in mijn scriptie uit juni 1992 veel Duitse literatuur had gelezen en dus op mijn plek was. Grupe hielp me wat op weg binnen het instituut en stelde me voor aan Gunnar Drexel, die mijn directe begeleider werd.

Waarom moest ik onlangs weer aan die tijd denken? Enkele weken geleden had ik een overleg met iemand die aangaf dat binnen de organisatie waar hij werkte veel mensen graag iets willen schrijven, maar dat men bang is voor elkaars commentaar. “We houden elkaar in een soort wurggreep, omdat als iemand eens iets schrijft dit vrij kritisch van commentaar wordt voorzien. Eigenlijk wordt niemand de ruimte gelaten. Dus niemand zet meer iets op papier.”

Mijn gedachten gingen dus terug naar mijn tijd op Institut fűr Sportwissenschaft in Tübingen. Als ik namelijk in de bibliotheek een en ander zat te lezen en samenvattingen maakte van artikelen dan kwam Drexel af en toe langs. Hij drukte me op het hart dat ik snel zaken op papier moest zetten, met een zekere onverschrokkenheid. En hij waarschuwde dat ik in ieder geval niet in de greep moest komen van wat hij noemde ‘die Innere Schweinehund.’ Ik vond dat wel een mooi woord en wat ik me herinner is dat hij hiermee bedoelde dat er altijd een soort stemmetje in je hoofd meekijkt en tegen je praat ‘… doe maar niet, kun je toch niet!’ of ‘jammer van je tijd … niemand leest het … ga iets anders doen!’ En soms iets specifieker ‘wat bedoel je met deze zin?’, ‘waarom zo’n opbouw in je tekst?’ of ‘klopt dit wel … ik twijfel!’ Het is dus een wat negatief, vrijblijvend commentaar.

Zo’n Innere Schweinehund ontstaat niet zomaar, maar kan zich bijvoorbeeld in je hoofd zetten doordat iemand zich kritisch uitlaat over je of je onvoldoende ruimte geeft. Voor je het goed en wel in de gaten hebt, wordt die ‘een stem die je voortdurend kritisch becommentarieert.’ Vaak gaat het overigens om lieden die zelf nooit iets schrijven, natuurlijk nog een keer ‘als ze de tijd hebben een boek gaan schrijven’, maar wel steeds met het rode pennetje klaarstaan. Mijd deze commentatoren en breng ze niet zelf in stelling! Omring je met kritische meedenkers, ik bedoel niet ‘ja-knikkers’, die zelf ook wel eens met een tekst zwoegen en weten dat schrijven niet altijd, of zelfs nooit, eenvoudig is. En wantrouw altijd ‘zelfbenoemde genialiteit’. Het soort geniale denkers dat je, vaak terloops en ongevraagd, bombarderen met prachtige ideeën, in het wilde weg filosoferen, veel belangrijke denkers de ring insmijten, maar als het aankomt om in kleine stapjes concreet iets toe te voegen aan je tekst, niet thuis geven. Kritische meelezers en commentatoren zijn er in overvloed, constructieve meedenkers spaarzamer!

Dat brengt me dan ook direct bij een ontwikkeling die deze ‘Innere Schweinehund’ ruim baan geeft en min of meer in het zadel helpt. Ik bedoel Google Docs en dan vooral de manier waarop dit wordt gebruikt. Het gaat dan vaak als volgt. Een groepje zit bij elkaar, een team of een afdeling, en er moet iets op papier komen. Niet zelden wordt er dan geëindigd met “Ik maak wel een aanzet, zet dit in Google Docs en dan kunnen jullie erop schieten.” Voor je het goed en wel in de gaten hebt is het kwaad geschied. ‘Schieten’ wordt namelijk tamelijk letterlijk genomen. Niet in de zin dat er pistolen of geweren aan te pas komen, maar wel dat er wild wordt gevuurd, uit de heup en wat ongericht.

Want vanaf het moment dat de eerste aanzet in Google Docs is geplaatst gaat ‘de kritische commentator’ aan de slag en na enkele dagen, als iedereen zijn commentaar heeft gegeven, zien we het volgende in de kantlijn (willekeurig):

“Vage zin, wellicht iets concretiseren!”

     “Inderdaad … wat vaag”

      “Inderdaad, mee eens!”

“Is dit geen herhaling van de inleiding?”

       “Iets weglaten”

“Moeilijk te lezen … wat bedoel je!”

      “Eenvoudige woorden gebruiken”

“Samenhang binnen deze alinea ontbreekt!”

      “Wat bedoel je … zinnen wat onduidelijk?”

“Loopt niet lekker deze laatste passage”

“Moeten we hier ook niet meer literatuur bij zoeken?”

“Ik haak af … begrijp er niets meer van!” (dit zijn de ergste, altijd op aanspreken!)

En variërend op hetzelfde thema ‘’is dit nou met een ‘d’ of met een ‘t’?”, “een wat open einde”, “is dit consistent met je wat hiervoor hebt gezegd?”.

Gefeliciteerd! Je hebt je eigen “Innere Schweinehund” georganiseerd, je raakt geïrriteerd, de energie om de tekst af te ronden is gelekt en de op- en aanmerkingen zijn zo divers dat je geen idee meer hebt waar te beginnen: paralyse ligt op de loer! Hoe komt dit nu? Wat Google Docs, zonder vooraf helder te zijn over het type op- en aanmerkingen, uitlokt is ‘commentaar geven’. Veel mogen er iets over zeggen en door de geringe ruimte wordt er zelden iets bijgezet dat je direct kunt invoegen en, niet onbelangrijk, de op- en aanmerkingen worden beïnvloed, of zelfs gestuurd door de andere commentaren. “Goh … als die het vaag vindt, kan ik toch niet zeggen dat ik het wel begrijp?” .

Mijn tips om de commentatoren uit de zijlijn te trekken:

  • Vraag om op- en aanmerkingen te geven op je tekst, maar niet retour ‘reply all’ (‘uitsluiten van de groepsnorm en de dominante collega’s binnen je team’).
  • Zeg nooit “schiet maar op mijn aanzet”, maar “ik zou graag jullie op- en aanmerkingen hebben voor donderdag aanstaande, daarna neem ik ze niet meer mee; ik moet immers ook verder. En houd de volgende regels aan voor feedback” (op dat moment deel je een A-viertje uit, gewoon ouderwets printen, met de volgende vijf ‘concrete regels’):
Wat liever niet als feedback op
mijn aanzet
Dit helpt me echt verder!
“Vaag taalgebruik!”
“Ik vind deze zinnen wat vaag en
onhelder, ik zou het als volgt her-
formuleren [herformulering neer-
schrijven]”
“Is dit geen herhaling van het voorgaande?” “Dit is een herhaling van het voor-gaande, ik zou de tekst als volgt in-korten/terugbrengen [een iets kor-
tere tekst hier neerzetten]”
“Is dit nou een d of een t?”[gewoon doorvoeren!, niet het ’t
Kofschip uitleggen]
“Moeilijk te lezen!”“Dit deel of deze passage is wat
moeilijk te lezen, is dit niet een beter alternatief? [alternatief
neerzetten]”
“Hadden we hier niet nog een verwijzing bij moeten zetten?” “Hier moet nog een verwijzing bij, namelijk XXX en als je deze nog even wilt lezen, zie [vindplaats]”
[graag bronvermelding invoegen]

En zo kun je doorgaan. Het gaat er om dat door deze regels/concrete voorbeelden de ander wordt gedwongen een constructieve bijdrage te leveren in plaats van (vrijblijvende) commentaren in de marge te plaatsen – je dwingt de commentator tot een constructieve bijdrage! Dit is wel aanmerkelijk moeilijker voor degene die de tekst van op- en aanmerkingen mag voorzien, want die moet nu ook zelf schrijven! Maar, de tekst wordt hierdoor ook echt beter en je bent daadwerkelijk bezig met ‘co-productie’, in plaats van dat je verzamelaar van commentaren bent!

Pas maar eens toe, niet één keer, maar met regelmaat! Je zult zien: de ‘Innere Schweinehund wordt beteugeld, de uiteindelijke tekst beter en het plezier in het schrijven groter!’

Succes!

Johan Steenbergen